Thyreoglobuline-antistoffen zijn gericht tegen het eiwit waarin de schildklier hormoon opslaat voordat het wordt afgegeven. Ze vormen een tweede marker van een immuunproces in de klier, en ze zijn daarnaast van belang als controle op interferentie wanneer thyreoglobuline zelf wordt gemeten na behandeling van schildklierkanker. De test zegt niets over hoeveel hormoon de klier aanmaakt.
Nog geen resultaten voor deze marker.
Verhoogde waarden komen voor bij auto-immuunthyreoïditis en bij de ziekte van Graves, vaak samen met TPO-antistoffen, en bij een kleiner deel van de mensen met een onopvallende schildklierfunctie. Geïsoleerde positiviteit zonder TPO-antistoffen is minder specifiek en komt veel voor bij mensen die nooit een schildklieraandoening ontwikkelen. Bij de follow-up na schildklierkanker wijst een aantoonbare waarde vooral erop dat thyreoglobulinewaarden vals laag kunnen uitvallen. Elke positieve uitslag wordt door een arts geïnterpreteerd in de context van de rest van het panel.
Testmethoden en afkapwaarden lopen sterk uiteen tussen laboratoria, zodat waarden van verschillende laboratoria niet rechtstreeks met elkaar vergeleken mogen worden, en biotinesupplementen kunnen de meting verstoren. De uitslag is stabiel over de dag en wordt niet beïnvloed door maaltijden of door schildkliermedicatie die die ochtend is ingenomen. De uitslag wordt samen met TPO-antistoffen en met TSH en vrij T4 gelezen, en bij de follow-up na kanker altijd in hetzelfde monster als thyreoglobuline.
Referentiewaarden zijn algemene waarden voor volwassenen en hangen af van laboratorium, testmethode, leeftijd en geslacht. Bedoeld ter oriëntatie, niet als diagnose — bespreek de resultaten met uw arts.